Grafveld Oosterbeintum

De terp van Oosterbeintum was een terp net ten oosten van Hogebeintum, Friesland. In 1988-1989 is deze terp afgegraven op archeologische vondsten en later in 2011 nogmaals onderzocht. Tijdens de opgravingen bleek het om een grafterp te gaan die mogelijk in de buurt heeft gelegen van een nederzetting. Er werden zowel menselijke als dierlijke resten gevonden in de vorm van botmateriaal. Ook zijn er veel sporen gevonden van vuur wat er mogelijk op wijst dat er ook crematies zijn geweest. Met de doden zijn ook verschillende voorwerpen gevonden. Hierdoor kon in combinatie met C14 dateringonderzoek vast gesteld worden dat de terp van de ijzertijd tot de vroege middeleeuwen in gebruik is geweest waarna de terp ook nog een korte tijd bewoond is geweest.

Ontstaan
De terpen van Oosterbeintum zijn opgeworpen vanaf de 6e eeuw v. Chr. op een kwelderrug die reeds bewoond werd. In deze omgeving zijn krassporen gevonden van een eergetouw  en scherven van aardewerk die het mogelijk maakten om bewoningssporen te dateren van 500 v.Chr. De bewoning in dit gebied heeft stand gehouden tot in de Middeleeuwen.
Waarschijnlijk bestond de gemeenschap in het begin uit meerdere kleine terpjes waarvan één grafterp. Deze terpen overspoelden bij stormvloed, zo blijkt uit zeekleilaagjes bovenop deze jonge terp. Ook zijn er uit de vroege middeleeuwen sporen gevonden van een dijkje. Deze werden mogelijk gebruikt tegen zeewater en wind om de landbouw te bevorderen.
Rond de 7e eeuw zijn de terpen samengevoegd en zijn er bewoningssporen aangetroffen. De functie van grafveld verdween hierdoor wat waarschijnlijk veroorzaakt werd door de kerstening. Sindsdien werden de doden begraven op Christelijke begraafplaatsen nabij kerken.

Grafveld
Tijdens de opgravingen wist men nog niet of het om een aparte grafterp ging. Na de opgravingen en  onderzoek in 2011 bleek dat wel het geval te zijn en maakte het deel uit van een gemeenschap die misschien uit meerdere boerderijterpjes bestond. Dit fenomeen is ook van andere woongebieden uit die periode bekend.
In de grafterp werden zowel crematies als inhumatiegraven aangetroffen. Het grafveld was in gebruik van 400 tot 750 n. Chr. Vanaf de Karolingische tijd werd de terp opgehoogd en bewoond.
Van de crematiesporen zijn brandsporen, brandkuilen, urn-bijzettingen en brandstapelkuilen bekend waarvan enigen met wat botresten. Enkele urnen waren op Angelsaksische wijze versierd. Het is niet zeker om hoeveel crematies het gaat. Als alle brandresten als graf worden geïnterpreteerd, dan zijn er 117 crematiegraven geweest. Met de brandresten zijn vooral verbrande houtsoorten als es, eik en els gevonden. In enkele gevallen werden er houtresten met klinknagels aangetroffen. Deze klinknagels vertonen veel gelijkenis met bijvoorbeeld de klinknagels van het Sutton-Hoo schip en wijst erop dat er voor deze crematies wrakhout van schepen is gebruikt.
Naast de crematies werden er in het opgegraven deel ook 47 inhumaties gevonden die iets later begonnen dan de crematies. Acht hiervan waren begraven in boomkisten, hetgeen ook in andere delen van Germanië gebeurde. Deze boomkisten werden gemaakt uit eik. 14 van de inhumaties werden aangetroffen in hurkhouding, de anderen in allerlei variaties. In de 5e en 6e eeuw bleek er voorkeur te bestaan voor het begraven van de mensen in richting West-Oost (hoofdzijde) en ZZW-NNO. Later kwam ook hier veel variatie in.

Van de 46 inhumaties was botmateriaal beschikbaar waardoor ook afgelezen kon worden wat voor geslacht, lengtes, afwijkingen en vergroeiingen mensen hadden. Er kon in ieder geval met zekerheid worden vastgesteld dat er 15 mannen en 15 vrouwen lagen. De mannen varieerden in lengte van 1,68 tot 1,79 m en de vrouwen van 1,50 tot 1,62 m. Bijzonderheid was de vondst van een dwergpersoon (geslacht onbekend) met een lichaamslengte van 1,24-1,28 m. Mogelijk had deze persoon achondroplasie. Uit onderzoek bleek wel dat deze persoon ontwikkelde botten had wat wijst op normale spieractiviteit en lichaamsbeweging. De leeftijd werd geschat op 25-35 jaar.

Naast de menselijke sporen werden er ook sporen gevonden van dierengraven. Het ging om zes hondengraven en een paardengraf. In een brandkuil werden de resten van een wintertaling en lammetje gevonden. Bij de huisdieren ging het om forse honden en een paard wat mogelijk een rijdier is geweest. Vermoedelijk zijn deze dieren bijgezet in de grafheuvel om de status van een overledene te benadrukken.

Vondsten
Bij de overledenen werden heel soms ook bijgaven gevonden. Zo werden er bij enkele mannen wapens en gereedschappen gevonden en bij vrouwengraven spinklosjes, fibula’s en sieraden.

Het mannelijke inhumatiegraf 335 bevatte een schmalsax dat voorzien is geweest van houten handvat. Bij de linkerarm van de man werd een ijzeren lanspunt aangetroffen met open schacht en slank ovaal blad. De wapens werden gedateerd in de 6e eeuw n. Chr. Deze man had ook een bronzen pincet, waarvan soortgelijke pincetten ook in brandkuil 5 werden aangetroffen. De man van graf 335 heeft mogelijk een gordelriem gehad met een ijzeren gesp. Hieraan heeft hij een riemtasje gehad, gezien de vondsten van 2 bronzen knoppen (2 soortgelijke knoppen van gewei werden gevonden in graf 15). Hierin droeg de man waarschijnlijk een vuurslag die er ook gevonden werd.

Het mannelijke inhumatiegraf 453 bevatte een bijna onherkenbare leren schede met daarin een lang mes en priem. De schede was afgewerkt met een bronzen nagel.

In andere (mannelijke) graven werden ook simpele messen aangetroffen. Het waren vaak kleine messen en varieerden sterk in vorm en plaatsing van de punt. Ook werden er in totaal 14 gespen gevonden waarvan 4 van brons en 10 van ijzer (ook in vrouwengraven). Het is niet altijd even duidelijk waarvoor de gespen dienden hoewel het vaak waarschijnlijk leek dat de gesp van een gordelriem was. Ook zijn er gespen gevonden die erop wijzen dat ze voor mogelijke beenbekleding of schoeisel werden gebruikt.

Ook werden er verschillende bronzen fibulae gevonden, in totaal zo’n 30 stuks, 6 verschillende types. Een  steunarmfibulae (5e eeuw), enkele kruisvormige fibulae (eind 5e en begin 6e eeuw), enkele (kleine) beugelfibulae (begin 5e tot begin 6e eeuw), een domburgfibulae (6e eeuw), zever ringfibulae waarvan enkelen met ijzeren doorn (450 – 700 n.Chr) en drie bandvormige gelijkarmige fibulae (675 – 750 n. Chr.). Graf 460 bevatte een naald uit gewei met dikke kop zonder oog die ter hoogte van de buik van een man gevonden werd. Mogelijk diende deze naald om ook een mantel af te sluiten.

Tot urnbijzetting 438 van een kind hoort een zilveren gevlochten ring zoals die in de Romeinse tijd en vroege Middeleeuwen ook van andere plaatsen bekend zijn. Deze ring is gedateerd in de 7e eeuw. Ook zijn in andere graven bronzen draadarmbanden gevonden, waarschijnlijk uit de 5e en 6e eeuw. Een opmerkelijke vondst is in graf 374 waar een vrouw voorzien was van een zogenaamde Chatelaine. Deze bestond uit een ijzeren ring, deel van ijzeren ketting, houten voorwerp en een doorboorde hoektand van een wolf. Daarnaast lag nog een tweede tand. Deze ketting die om de middel gedragen werd, zijn op meerdere plaatsen gevonden in Duitsland en Engeland en dateren tot de 6e en 7e eeuw. Aan de heupketting werden amuletten gehangen om te beschermen tegen kwaad en ziektes.
Een andere vrouw uit graf 60 had op de heup bronsblik, een aantal bronzen klinknagels, een mesje en wat textielresten. Mogelijk zijn dit resten geweest van een riemtasje.

Het kinderskelet van 402 had bij de halsstreek een ronde, platbolle hanger van gewei met twee barnstenen kralen die aan koperdraad hebben gehangen (te zien aan de groene verkleuring). Hangers van gewei moesten kracht en snelheid van het hert meegeven aan de eigenaar en bevorderde de vruchtbaarheid. Barnsteen is ook in meerdere graven aangetroffen in de vorm van kralen. Zo ook ander bergkristal en kralen van glas. Het ging hier soms om kralensnoeren van soms wel 26 tot 61 kralen lang. Ook werd er waarschijnlijk klei en hout voor gebruikt en werden deze snoeren op de borst bevestigd.

Net als op vele andere plekken uit deze periode zijn er een aantal kammen gevonden. Het gaat om de zogenaamde drielagenkammen van gewei uit de 4e tot 7e eeuw. Enkele kammen werden onderzocht op sporen van luizen, vlooien en neten maar hiervan zijn geen resten aangetroffen.  Naast kammen werden er in graven ook naalden van gewei gevonden en verschillende spinklosjes van gewei

Van het aardewerk zijn zowel urnen als bijgaven in de vorm van spinklosjes, nappen, potten en bekers bekend. Er zijn veel verschillende aardewerkfragmenten gevonden die de hele periode van het grafveld bestrijken. Ook zijn er allerlei vormen van aardewerk terug gevonden waaronder het handgemaakte lokale Hessens-Schortens aardewerk (ook wel Anglo-Fries aardewerk genoemd) en rijk versierde Angelsaksische aardewerk. Ook is er Frankisch aardewerk aangetroffen.

In brandstapelkuil 160 en urn 372 werden resten aangetroffen van strandlopers. Het gaat om vleugelbotjes van Temmincks- en Bonte strandlopers. In Zweden zijn deze zelfde verschijnselen aangetroffen wat er op wijst dat deze waadvogels mogelijk een ceremonieel doel hadden. Volgens Sivallius (1994) symboliseerden zij de ziel van de overleden vrouwen en was het versiering van het dode lichaam.

Einde van het grafveld
Met de opgraving van de terp werden ook bewoningssporen aangetroffen van latere periode, toen het grafveld zijn functie verloor. Er werden sporen van putten, greppels en resten van dieren gevonden zoals rund, schaap en andere huisdieren. Er werden ook 4 muissoorten aangetroffen waarvan de Noorse woelmuis opmerkelijk was. Ook werd er een opmerkelijke kuil aangetroffen met 33 rugstreeppadden. Een klein aandeel schelpdieren, vissoorten, wilde zoogdieren en vogels toonde nog aan wat voor dieren er voorkwamen en mogelijk bejaagd werden, hoewel het aandeel hiervan zeer klein moet zijn geweest.

Tekst door: Maarten den Hartigh

Bronnen

M.F.P. Dijkstra (2011) Rondom de mondingen van Rijn & Maas: Het landschap en bewoning tussen de 3e en 9e eeuw in Zuid-Holland, in het bijzonder de oude rijnstreek. Hoofdstuk 6: Crematies & Inhumatie. Universiteit van Amsterdam (UvA).

Knol, E., e.a (1996) Het vroeg-Middeleeuwse grafveld van Oosterbeintum.  Jaarverslagen van de Vereniging voor Terpenonderzoek (1989-1990) . Groningen

M. Post (2011-2012), Oosterbeintum: Leven met dieren in de Romeinse tijd. Bachelor-scriptie archeologie.